dagboek – coup de foudre na theater.

Na afloop zit ze aan de bar met een man. Wanneer ik later opkijk lijkt het alsof ze van plaats zijn gewisseld maar ze zitten nog net zo. Buiten de stad herhaal ik wat ik zag; haar rug, de spieren op haar arm, de borsten die in hun vorm terugvallen wanneer ze aan het einde haar publiek groet. Een acteur die groet: zwemt tegen het applaus in. Het beeld komt tot stilstaan, gaat mee naar een zwarte ruimte waar ik er rond kan gaan lopen. Tijdens het samenspel valt ze uit de toon. Ze is kleiner en lichter dan haar medespelers maar wanneer ze er alleen staat wordt ze verrukkelijk. Zo staat ze hier nu naast me. Ik leg mijn hand op haar rug. Ik leg mijn hand op de spieren op haar arm.

Na afloop moest ik weg van de stad. De stad is van haar.  De stad is wie er zich in voortbeweegt. Ik kan hier niet blijven.

‘Niemand repeteert om zichzelf te blijven,’ vertel ik haar na afloop. ‘Het is nog niemand gelukt. Wie oefent, zich bijstuurt na het oefenen en opnieuw begint, moet zien af te rekenen met de tegenstrijdigheden die het met zich meebrengt. Je houdt het niet vol. Wat is spelen anders dan de ander te proeven. En geen mens houdt een mens in de mond om hem daarna uit te spuwen. Je slikt door, alsof men voedsel is – de gevolgen zijn even traag, en sluipend, en trefzeker: wie de ander eet zal hem of haar worden.’

Straks, in de zwarte ruimte, waar ik haar opnieuw dichter kan halen, zal ik naast haar haar groet imiteren. Het is eenvoudig. Je bouwt je moed op met het zwellen van het applaus, je daalt, laat het hoofd snelheid maken tot je wordt afgeremd door de medespeler waaraan je je hebt vastgemaakt.

We doen het na; ik hou haar tegen, zij mij. De tweede golf van applaus gaat op onze ruggen liggen.

Je wordt een gewichtheffer; de handen gekalkt, het gewicht ligt al in de nek, – en plots vraag je je af wat de zin van al dit alles is. Ik gooi het gewicht van me weg en wacht.

Na afloop zit ze aan de bar met een man.
Buiten rent een hond achter een stok aan, loopt er veel trager mee terug.

Wie gaat ooit recht op zijn doel af?

(slotregel uit Vluchtig Eigendom door K. Schippers)